U bent hier

Meditatie november.

Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.

                                                                                                                                              (Psalm 42 : 2)

 

 Psalm 42 wordt een onderwijzing genoemd. Deze psalm bevat onderwijs tot geestelijke lering voor heel Christus’ Kerk. In ’t bijzonder voor verslagen, vermoeide zielen onder Gods kinderen. Om ze te troosten en op te beuren. Wie is de dichter? We denken aan David, de man naar Gods hart. Onder de leiding van Gods Heilige Geest heeft hij deze psalm mogen dichten en hij heeft hem bestemd om gezongen te worden bij de dienst in Gods heiligdom. Psalm 42 is één van de meest geliefde psalmen van Gods kinderen. En geen wonder, want dit lied vertolkt zo uitnemend wat er in hun hart leven kan. Gods volk, die arme zondaren, die hun zaligheid in Christus zoeken, leven niet altijd op berghoogten in geestelijk opzicht. Wat komen er immers ook niet diepe dalen voor in het leven van de gelovigen. Dalen, dat ze God voor hun besef kwijt zijn. Van zo’n diep dal, zo’n geestelijk donkere periode, daar weet ook de dichter van de psalm, Gods knecht David, heel duidelijk van mee te spreken. David is in grote moeite. Hij is verdreven van Gods huis. Hij kan niet deelnemen aan de eredienst in Gods heiligdom. Hij is als een dier opgejaagd. Sommige schriftverklaarders denken aan de periode dat David  moest vluchten voor koning Saul of, dat kan ook, dat hij moest vluchten voor zijn bloedeigen kind Absalom. David, opgejaagd als het wild, kan niet naar Gods heiligdom. Hij kan de dienst der verzoening niet bijwonen, de offeranden, die heen wijzen naar het grote offer van het Lam Gods, Christus. Dat vindt hij heel erg. Het allerergste is voor hem, dat hij God kwijt is. Bij al zijn moeite, van het vervolgd worden door de vijanden, is er dan ook nog eens bijgekomen dat hij de gevoelige nabijheid van de Heere mist. Ja, de Heere Zelf mist. Zeker, David had ook andere tijden meegemaakt: dat hij dicht bij de Heere mocht leven, dat hij als een arme zondaar bij de Heere Jezus Christus mocht schuilen en Gods vriendelijk aangezicht en Gods vergevende liefde en de genade Gods in Christus mocht smaken. Gods kinderen weten van tijden in hun leven, dat ze mogen zingen: “Ik ben zeer vrolijk in de Heere, want Hij heeft mij bekleed met klederen des heils”. Maar er zijn ook andere tijden, zoals in deze psalm. Dat de Heere Zich voor hen verbergt, dat ze Zijn vriendelijk Aangezicht moeten missen, dat ze dat nabije leven met Christus kwijt zijn. En ze kunnen de Heere juist niet missen, ze kunnen Hem niet kwijt. Van die periodes van de Heere te missen, daar weten al Gods kinderen van af. Dat ze de Heere missen, daar blijkt juist uit, dat ze  hem kennen. Want je mist, die je lief hebt en kent. Maar ja, als je de Heere niet lief hebt en kent, dan mis je Hem ook nooit, dan ben je Hem ook nooit kwijt. Echter allen, die de Heere liefhebben, weten van die tijden van gemis van de Heere in hun leven. Nee, dat is niet Gods schuld, maar hun eigen schuld. Ze zijn immers nog zo dwaalziek, zo ontrouw. Soms ook komen ze in het gemis omdat de Heere hen wil beproeven. Opdat ze Hem weer zoeken en op Hem betrouwen. Toch, o eeuwig wonder van Gods ontferming, liefde en genade, al zijn de gelovigen de Heere bij tijden kwijt: Hij is hen nooit kwijt. Hij doet ook geestelijk diepe dalen nog medewerken ten goede, tot eeuwig welzijn voor Zijn Kerk. David is de Heere kwijt. Hij voelt zich als zo’n opgejaagd, vervolgd hert. Zo’n hert, dat ternauwernood aan de jacht is ontkomen. Misschien voelt u zich ook wel zo. Nergens kunt u het vinden, geestelijk. Het is zo toegesloten, zo donker in Uw ziel. U voelt zich zo opgejaagd. U bent de rust, de vrede met God kwijt, dat nabije leven met de Heere Jezus. U mist de Heere Zelf. En daar kunt u  het niet in uithouden. U schreeuwt in uw ziel van heimwee, verlangen naar God. En dan is er met dat hert in de tekst nog veel meer aan de hand. Dat dier is totaal uitgeput. Het versmacht van de dorst, maar het kan niet bij het water komen. Ja, er is wel water, want aan Davids voeten bruist en kookt een waterval. Met donderend geweld stort het water naar beneden in de afgrond. En dat machtig geluid weerkaatst tegen de hellingen van het ravijn. De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis der watergoten. O, zie dat hert daar staan. Het dier ruikt het water, hoort het water maar kan er niet bijkomen. En dan heft het dier zijn kop op en schreeuwt zijn doodsnood uit. Die schreeuw gaat de dichter door merg en been. Het is voor dat dier een zaak van leven of dood. Als hij zijn dorst niet gelest krijgt, zal hij omkomen. In dat hert ziet David zijn eigen beeld. “Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God”. Wat die waterstromen zijn voor dat hert, dat is nu de Heere, de levende God, voor David. De Heere kan alleen zijn zieledorst lessen. Misschien is het ook zo met u, met jou. Zoals dat hert niet bij het water kan, zo kunt u ook niet bij de Heere komen. U bidt tot God, maar het is alsof dat gebed niet verder wil dan het plafond van uw kamer. U leest in het Woord, maar het raakt u niet. Het lijkt wel alsof alle veroordelingen voor u zijn en er is geen zicht op Gods Vaderlijke goedheid en Gods genade in Christus. En dan is daar ook nog de boze met zijn aanvallen: Waar is nu uw God? En toch zit er een wending in deze psalm, zie vers 6: “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen van Zijn Aangezicht”. Hoe komt dat, deze wending in de psalm? Wel omdat de Heere Zijn Kerk niet loslaat, maar vasthoudt. Hij laat hen niet van druk verkwijnen. Na het zure geeft Hij het zoet. Hoe kan dat nu, dat de Heere Zijn volk vasthoudt? Vanwege eeuwige verkiezende liefde. Vanwege het kruisoffer van de Heere Jezus. De Heiland heeft het als Borg voor Zijn volk in Zijn diepe zielestrijd moeten uitroepen: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten”. Daarom vergeet God het geroep van een arme zondaar, die om Hem verlegen zit, niet. Daarom zal Hij Zijn gelovigen niet begeven noch verlaten. Het kan er wel eens diep onderdoor gaan, maar zo leert Hij hen dat ze in zichzelf arm en ellendig zijn, zo leren ze op Zijn Naam te vertrouwen. Zo leren ze: de grond voor de zaligheid ligt niet in iets van mij, maar enkel en alleen in het verzoenend lijden en sterven van Christus. De Heere komt uitkomst geven. Hij gaat de dorst naar  Hem lessen door Zijn Woord en Geest met Christus. Daarom: houdt aan in het gebed. Blijf graven in de Schrift. Denk maar aan de Kananese vrouw. In ’t aanhouden, in ’t pleiten op Gods Woord stelde de Heere haar in de ruimte. Hij is de menigvuldige Verlossing. Hij redt allen, die Hem liefhebben en vrezen, keer op keer. Zo komt er telkens opnieuw weer geloofszicht op Christus. Zo gaan ze van kracht tot kracht steeds voort, om in ’t zalig leven eeuwig bij God te zijn. Hier is het echter nog strijd tegen de doodsvijanden, de boze, de wereld en de oude mens. Kent u, ken jij die strijd? Zonder die strijd geen kroon des levens, maar eeuwig verderf. Door strijd, door Gods genade in Christus’ kracht, tot eeuwige heerlijkheid en zaligheid bij God en Christus. Dan straks eeuwig de strijd te boven. Geen verberging meer van Gods Aangezicht, maar eeuwig bij God.

                                                               Ds. H.H. de Haan

Aanstaande zondag

Zondag hoopt in beide diensten kand J. C. Pronk ons voor te gaan. De extra collecte is dan voor de Kerkelijke Kassen. 

Er is tijdens de diensten creche.