U bent hier

Meditatie Februari

Ik ben een vreemdeling op de aarde. (Psalm 119 : 19a

)Ik ben een gezel van allen die U vrezen. (Psalm 119 : 63a)

De dichter belijdt hier twee dingen: hij is een vreemdeling op de aarde. Maar gelijk: een metgezel van hen die de Naam des Heeren vrezen. Hij verklaart dat hij geen banden meer heeft aan de wereld die in het boze ligt. Maar daardoor heeft hij  juist een band aan hen, die hetzelfde beleven. Het is een ingrijpende belijdenis om van de aarde te zeggen: daar ben ik niet thuis. Geen kleine zaak, om van het aardse leven, waarvan de mens wil genieten en dat hij zoekt uit te buiten, te zeggen: niet thuis! Op deze aarde een vreemdeling; ik ben er wel, ik woon er wel en ik zwoeg er wel, maar hier beneden is toch mijn vaderland niet. Deze psalmdichter heeft met al de Bijbelheiligen zijn vaderland elders gevonden. Hij heeft geleerd dat het land der ruste daar ligt, waar God gevonden wordt. Zijn horizontale blikken hebben hem benauwd; hij heeft naar boven leren zien. En wie naar de hemel zien mag, die heeft niet meer genoeg aan het aardse leven. Voor hem wordt de aarde een tranendal, niet alleen vanwege moeite en verdriet, bovenal vanwege het gemis aan God. Wie de kruimels van het hemelse manna gesmaakt heeft, die komt tot de slotsom: hier beneden is het niet. En naarmate het hemelleven, dit is de gemeenschap met God, gesmaakt wordt, naar die mate leert men vervreemden van de wereld en raakt de mens al losser van de stad van het verderf, waarin hij geboren is. Het leven is zoet, maar niet het leven in de dienst van de wereld. Alleen het leven dat van de hemel afdaalt, kan zulk een vreemdeling bevredigen. Naar de maatstaf van de wereld is het een armzalige belijdenis, want de wereld heeft juist alles op deze aarde gevonden. Die van deze aarde zijn maken hun hemel aan deze zijde. Zij hebben aan de aarde genoeg. Laat dan anderen maar naar de hemel verlangen. En zij hebben er geen oog voor dat zij wonen in de stad van het verderf. Zij beseffen niet dat zij hun ondergang met alles wat ze bezitten tegemoet gaan. Daarom is deze belijdenis zo oneindig rijk, want een vreemdeling heeft een vaderland, en een pelgrim heeft een doel. Of we ons ook op aarde nog zo thuis gevoelen, we zijn toch op doorreis naar een ander oord, hetzij naar het Kanaän der ruste of naar het land der eeuwige onrust. Zalig dan wie belijden mag: ik ben wel in, doch niet van de wereld. Dan hebben de banden van de zonde hun kracht in beginsel verloren. Dan kan ik niet meer mijn element vinden in de dienst van de  wereld. Maar dan vallen er aan deze zijde van het graf toch ook andere banden. De banden n.l. met hen die ook vreemdeling zijn geworden. Want de dichter zegt in zijn psalm: Ik ben een gezel van allen die U vrezen. Hij voelt zich vreemdeling en metgezel tegelijk. Hij is niet alleen op reis, hij heeft medereizigers op dezelfde weg en naar hetzelfde doel. Hij heeft mensen aangetroffen die eveneens de stad van het verderf verlaten hebben en die nu ook op weg zijn naar de stad die fundamenten heeft en van welke stad de bouwmeester God is. En wat deze reizigers samen bindt, dat is niet een ideaal, dat zij zelf bedacht hebben, niet een doel waarbij ze maar moeten afwachten of ze het ooit bereiken zullen, maar dat is de vreze des Heeren. De Heere vrezen, daardoor zijn ze aan elkaar verbonden. En die vrees is niet een panische schrik, waardoor zij gedreven worden. Het is een dienen en kennen van de Naam des Heeren. Over die zalige dienst en die kennis spreken zij met elkaar op de weg. Daarin zijn ze elkaar tot steun, tot onderwijzing en vertroosting. Daardoor herkennen ze elkaar op de weg van het leven. De vreze des Heeren is het, die hen leidt naar hetzelfde doel. Samen buigen zij het hoofd onder hun schuld, samen verblijden zij zich in de daden Gods, samen eten ze van het manna des hemels. Er zijn dus twee dingen waaruit wij kunnen weten of we op reis zijn naar het hemelse vaderland. Het eerste is of we vreemdeling zijn geworden, of we los gemaakt zijn van wat uit de aarde aards is. Acht het niet te gering, want krachtens onze verdorven natuur hebben we alles tegen. Satan houdt ons vast in zijn dienst, de wereld lokt en trekt en, ons eigen vlees voelt zich thuis in de dienst van de zonde. Allen zijn we op reis. Het is maar de grote vraag: waarheen gaat onze reis? Naar de eeuwige zaligheid of naar de eeuwige rampzaligheid? Het tweede, waardoor we kunnen weten of we het hemelse vaderland zoeken is: kennen we ook die samen binding aan hen, die het ook niet meer op aarde kunnen vinden? Wie in de vreemde vertoeft, voelt zich aangetrokken tot eigen landgenoten die hij daar ontmoet. Hoe veel te meer trekt dan de band met hen, die geestelijk op dezelfde weg zijn. Hier zoekt de vreemdeling medevreemdelingen, aan wie hij zijn woorden kwijt kan en zijn hart verklaren kan. Bent u een vreemdeling op aarde? Dan bent u ook een metgezel van allen die God vrezen. Deze twee dingen zijn onafscheidelijk. Maar de reisgenoten eindigen niet in elkander. Het gaat hen zelfs niet om de hemel, niet om de paarlen poorten, niet om de straten van goud en niet om de palmtakken, maar bovenal om Hem, Die hen getrokken heeft uit de aardse zondedienst tot Zijn heilige gemeenschap. De wereld noemt hen bekrompen. Doch de hemelse reizigers weten dat zij oneindig veel ruimer blik hebben dan de wereldling. Omdat zij, als het geloof gelooft, over dood en graf heen zien.

                                                                     Wijlen Ds. F. Bakker

Aanstaande zondag

 

A.s zondag wordt in de morgendienst een preek gelezen.

In de middagdienst hoopt ds G.R.Procee ons voor te gaan. 

.Er is ook weer opvang van de kleintjes in de creche.